Wittevrouwenklooster, ooit woongemeenschap voor juffers



De aanleg van de Ridderschapstraat in 1663-1664 betekent het einde van het klooster als woongemeenschap voor juffers, ook van het kloostercomplex?


Voor de aanleg van de Ridderschapstraat zouden slechts de boomgaard en moestuin opgeofferd zijn. Maar begin 1600 was aan de achterzijde van het terrein rond de Molenstraat al het nodige aan getimmerte en grond verkocht. In 1630 gingen voormalige 'jufferkamers' in de Molenstraat naar de eigenaar van Plompetorengracht 11 en de eigenaren van Plompetorengracht 1 tot en met 7 konden in 1660 de tuin al uitbreiden. Het Convent van Wittevrouwen hield uitverkoop.

Het wordt niet als een ramp ervaren: de bewoning van het klooster is al drastisch teruggelopen en beter: de inkomsten van het klooster komt ten goede van het onderhoud van de voor een groot deel adellijke kloosterzusters. Wat nu volgt is een mogelijke reconstructie van wat er gebeurde met de overige gebouwen, zoals het kloostergebouw. Boven aan dit stukje is een tekening afgebeeld van het klooster met de Abdijkerk naar een tekening van A. Rademaker uit 1661, dit exemplaar is in 1829 afgedrukt in het tijdschrift Van der Monde.

In totaal staat er na de aanleg van de Ridderschapstraat in 1664 nog een kleine verzameling van gebouwen op het  kloosterterrein:
  • de oude Abdijkerk, op de plek tussen de Ridderschapstraat en de Kloostersteeg met een kerkhof, het is in verval geraakt met de vierkante toren;
  • het pand “het klooster”, aan het uiteinde van de Kloostersteeg;
  • het gebouw “Abdij der Wittevrouwen” langs de nieuwe Ridderschapstraat;
  • enige stallen en een koetshuis langs de weg aan de wal, de huidige Wittevrouwenkade;
  • getimmerte met een kelder ter hoogte van Ridderschapstraat 16 en 18.
De Abdijkerk blijft voorlopig staan. Een nog oudere kapel met grond is al jaren daarvoor verkocht aan de eigenaar van Plompetorengracht 5 en op die plek is achter in zijn tuin een koetshuis gebouwd. De kerk verdwijnt aan het einde van de 17e eeuw voor de bouw van de 7 huizen langs de Wittevrouwenstraat. De vierkante toren bleef nog staan op het stukje grond achter Ridderschapstraat 5 en wordt pas circa 1820 gesloopt.

Het pand “het klooster” is in de 18e eeuw eigendom van Arnoldus de Kruijf. Het klooster heeft de ingang via de Kloostersteeg aan de Wittevrouwen­straat. In deze steeg heeft jarenlang een wielenmakerij en wagenmaker gezeten, met de werkplaats tegen het klooster. Arnoldus de Kruijff is wijnkoopman in Utrecht. De kinderen uit zijn derde huwelijk erven het pand in 1769: Gijsbertus en Johanna de Kruijff. Het is een pand met donkere vertrekken, hoge dikke muren met gaten en nissen. Het inmiddels tot schuur verworden klooster is voor Arnoldus de Kruijff waarschijnlijk een opslagplaats voor zijn wijnhandel geweest. Het wordt verkocht aan de vijfde Graaf van Athlone in 1769. Tot circa 1820 blijft dit deel van het klooster bestaan.

Wittevrouwenklooster, een tekening van J. Stellingwerf uit 1730
Abdij gebouwen ca 1600 (HUA 37765)
Het grote gebouw “Abdij der Wittevrouwen” met stallen aan de wal zou in drie percelen opgedeeld zijn en is verkocht in 1663. Maar er melde zich slechts één koper: Jonker Gerard van Reede van Drakensteyn. Gerard heeft in 1640 van zijn vader het slot geërfd, en laat dit naar een ontwerp van Jacob van Campen helemaal opnieuw bouwen. Drakensteyn voldoet aan de eisen voor een Ridderhofstad waardoor Gerard wordt toegelaten tot het Ridderschap van Utrecht en het leven op grote voet een aanvang kan nemen. Het wordt een te grote voet.

Ondanks goede huwelijken openbaart de financiële situatie zich na het overlijden van hem en zijn tweede vrouw als een ramp. We praten dan over 1669 en de ramp is groot voor hun 7 nagelaten minderjarige kinderen. Er blijkt onder andere een grote vordering open te staan in de Ridderschapstraat: hij heeft zijn aankoop van het Wittevrouwen­klooster nog steeds niet betaald! Het was bij een aanbetaling gebleven. Zijn crediteuren leggen beslag op de boedel en onder anderen kasteel Drakensteyn wordt verkocht. Met de opbrengst kan in ieder geval de schuld aan het Convent worden voldaan. In 1672 zijn de minderjarige kinderen eigenaar van de abdij  Wittevrouwen­klooster. Of is het maar een gedeelte daarvan?

Eigenaresse wordt Maria Magdalena Pynssen van der Aa - van Reede van Renswoude, op dat moment douairière Pynssen van der Aa. De familie blijft in ieder geval tot 1698 eigenaar. In dat jaar is aan Anthonij van Asch van Wijck een deel verkocht of het geheel, dat is niet geheel duidelijk uit de verkoopakten te herleiden. Na de aankoop van het Abdijgebouw volgt waarschijnlijk een verbouwing om de vertrekken ruimer te maken en met grotere vensters het licht binnen te laten. Uiteindelijk wordt dit pand in 1768 gekocht door de vijfde graaf van Reede van Athlone, heer van Amerongen etc. Daarmee is het terug in de familie van Reede. En het bijzondere is, Van Reede koopt het pand naast eigendom wat al van hem is. Dat staat in de verkoopakte vermeld. Daardoor wordt het waarschijnlijker dat hij via vererving van Van Reede van Drakensteyn ook al een deel van het Abdijgebouw in bezit had.

In 1709 zijn het kerkhof en de kerk 'vergonst' aan aannemer Van den Bosch. Er verrijzen aan de Wittevrouwenstraat zeven grote stadswoningen met klokgevels. De laatste resten van het klooster gaan rond 1820 tegen de vlakte. Tot 1809 waren ze eigendom van de graaf van Athlone. In dat jaar heeft de stad de gebouwen gekocht om er een kazerne van te maken. Het zijn het abdijgebouw, de kerktoren en 'het klooster'. Buurtbewoner J.E. Bosch is ooggetuige geweest van de gebouwen voor de sloop, van de sloop en van de nieuwbouw daarna. Bosch is uitgever en drukker van de Utrechtsche Courant en woont op de Plompetorengracht westzijde. Bosch is op leeftijd en is hobbyist geschiedvorser en geeft in 1829 in het tijdschrift van Van der Monde een beschrijving van de oude gebouwen en de nieuw gebouwde Willemskazerne.

Overigens, met de goede werken, waar de Wittevrouwen 'zich mee bezig gehouden zouden hebben': de geest daarvan is niet uit de buurt verdwenen, zoals bij mw. Swellengrebel in de 19e eeuw blijkt.

.