Een bedrijvig bolwerk van Utrecht: van vollermolen en blauwhuis naar lakmoesfabriek

Vanaf de Plompetoren loopt er een steegje langs de muur naar de Wolvenburg, passerend toren Vos. Het steegje is toegang tot koetshuizen, fabrieken, toren Vos en Wolf, bolwerk Wolvenburg en wat cameren: kleine woningen.
De Diendersteeg, een tekening uit circa 1630 van Andries Both (HUA36706)


Het steegje heet de Diendersteeg. En we weten allen wat een Diender is. Zowel panden in en naast de Plompetoren en toren Vos zijn plaatsen om gevangen op te sluiten. Lang staan er ook de huizen voor bewaarders en dienders (politieagenten) en hun gezinnen. Ook in de directe buurt wonen veel oppassers, we hebben het dan over 1824, synoniem voor het beroep oppasser is wachter of cipier en gevangenis Wolvenplein is er nog niet. In de buurt is een heel andersoortige bedrijvigheid, het is de rand van de stad.

Een tekening uit circa 1750 met links de Plompetoren 
  en rechts cameren tot toren Vos (HUA 36656)
In circa het jaar 1600 worden een volmolen en een blauwselhuis bij de Plompetorengracht verkocht. Over de functie van een volmolen is weinig te vinden. Waarschijnlijk wordt bedoeld een vollermolen. Een vollermolen bewerkt wollen stoffen door het te spoelen en te pletten. Ze functioneert met twee paarden en staat strategisch naast de singel. Onder een wiel met houten tanden wordt de natte stof met kracht plat gedrukt. De wollen stof wordt hierna gedroogd en geperst en is klaar voor het blauwhuis en de verwerking in kleding. Deze bewerkingswijze geeft geen veilige werkomgeving.

Het blauwhuis is een pand voor het 'witten' van wollen stoffen en linnen. Dit witten gebeurt met een bleekmaker, het blauwsel. Met de rug naar de singel is het spoelwater makkelijk kwijt te raken. Eigenaar van de bedrijven is Goris Philips Vulder en na hem Abraham Haddeman. Haddeman is draepemaker van beroep: zijn vakmanschap geeft hem het recht om wollen stoffen van een keurmerk te voorzien. Met de vollermolen en het blauwhuis kan hij de handelsactiviteiten vollediger onder zijn beheer uitoefenen. De bedrijven staan er van voor 1565 tot vermoedelijk na 1650, het eigendom is dan al lang gesplitst en in andere handen overgegaan, al is Dannis Gerritsz Vulder tot het laatst bij de vollermolen betrokken.

De steeg is toegang tot het bolwerk Wolvenburg en de daarop in 1758 gevestigde lakmoesfabriek. Willem Jan van Dijk en later zijn schoonzoon Hendrik Eelsing zijn de fabrikanten. Lakmoes is een poeder dat in een zure oplossing rood wordt en in een basische oplossing blauw. Handig voor bijvoorbeeld een schilder om te testen of de ondergrond goed is voor zijn verf. Maar blauwe lakmoes is in vroegere tijden de verfstof voor bijvoorbeeld wijn, sterke dranken en suikerwerk. Bij het maken van lakmoes is veel water nodig en dat wordt er niet schoner van. De plek tegen de singel is ideaal.

Grondstof voor lakmoes zijn korstmossen (grote schimmels op bomen), het verzamelen daarvan creëert werkgelegenheid in de herfst en winter. Na een chemische bewerking van de mossen volgt reiniging met (singel-)water en vervolgens vermenging met gips of krijt. Als blauwe blokjes wordt het verhandeld. De fabriek is nog lang geëxploiteerd door de firma J.J. en A. van Weede, later C. van Weede en F.H.J. van der Hoop.

 Stadswal met toren Wolf en gedeeltelijk ingestorte borstwering
van de stadsmuur ca 1852 tekening JN van Lokhorst HUA36652

Het kantoor met woning voor de directeur zit in de voormalige stadstoren Wolf en de fabriek in loodsen op het bolwerk. Ridderschapstraat 41 en de hoek om Molenstraat 21 is van 1802 tot 1824 het koetshuis en pakhuis van de firma Van Weede en Compagnie. Het bedrijf had ongeveer acht medewerkers. In de laatste periode van Van Weede en Compagnie is Willem Schorteldoek de directeur / lakmoesmaker, hij woont op Ridderschapstraat 14 en Jan Krademan is lakmoesmaker en woont achter in de Diendersteeg tegen de kazerne aan, het huidige Wolvenplein.

Lakmoes is als kleurstof rond 1830 verdrongen door indigo. Het zal ook in de jaren 1830 zijn wanneer de fabriek verdwijnt, mede door een brand. De lakmoesmakers in het kwartier verhuizen. Erfpachthouder Van der Hoop wordt later door de stad uitgekocht. Utrecht verkoopt het terrein in 1852 voor de bouw van een gevangenis op Wolvenburg.

.