Utrecht en het Sticht: de kerkelijke eigendommen



Kanunniken zijn bestuurders van kapittelkerken. Utrecht heeft een bijzondere positie als stad met maar liefst vijf kapittelkerken. Daarover gaat dit stuk.




Utrecht mag dan al door de Romeinen zijn bevolkt, pas in de vroegchristelijke tijd in Nederland vormt de stad zich. Willibrord staat aan de basis ervan. In het jaar 695 wordt hij door paus Sergius I tot aartsbisschop der Friezen gewijd. In het jaar 723 schenkt het Frankische gezag de voormalige Romeinse forten in de Utrechtse binnenstad en Vechten aan de kerk. Het betekent een langdurige verbintenis tussen de kerk en de stad en het kerkelijk bezit van het eerste onroerend goed in de lage landen.

Een echte kerkenstad wordt Utrecht na 1040. Tot die tijd is Utrecht een behoorlijke plaats te midden van een vrij kaal veenachtig landschap en regelmatig overstromende gebieden. De centrale ligging als marktplaats maakt het een vestigingsplaats voor kooplieden. In Utrecht komen de rivieren de Kromme Rijn en de Vecht bij elkaar. De aanvallen van de Noormannen zijn buiten de stad gebleven. Na 1040 vindt grootscheepse bouw van kerken en kloosters plaats.

Binnen de kerkelijke hiërarchie ontstaan er parochiekerken en kapittelkerken. Priesters in de parochiekerken en -kloosters zijn met prediking en zielenheil bezig, de kerkelijke gezagsdragers in de kapittelkerken en -kloosters met het beheer van goederen. De laatsten worden kanunniken genoemd. De bezittingen van deze kerken staan niet onder het gezag van de bisschoppen maar van de keizer. In die tijd zijn kerk en staat niet gescheiden: zowel het kerkelijk als het keizerlijk gezag is aanwezig. De daarop volgende schenkingen aan de kerk, van Koninklijke goederen in de latere Stichtse gebieden, zorgen voor een sterke verbintenis tussen de kapittelkerk en de machthebbers.

De vijf kapittels: Sint Maarten, Sint Salvator, Sint Jan, Sint Maria en Sint Pieter
In Utrecht zijn maar liefst 5 kapittelkerken. De twee bestaande van Sint Maarten - het Dom kapittel, en Sint Salvator - het kapittel Oud Munster, krijgen er rond 1050 drie bij: Sint Marie, Sint Jan en Sint Pieter. Net als bij hedendaagse beleggingen wordt op die manier aan risicospreiding voor de onroerende goederen gedaan. Er zijn in Utrecht zo’n 140 kanunniken aan verbonden. Ze leven van giften en de opbrengsten van de vele landerijen, boerderijen en andere eigendommen. Zij investeren de opbrengsten tussen 1100 en 1400 ook door te bouwen aan hun verblijven, kerk en torens. Het Dom kapittel bouwt zelfs de hoogste toren van Nederland, de domtoren.

Het verblijf van de kanunniken was eerst binnen de immuniteit van het kapittel, hun eigen grondgebied in de stad. Allengs werd dat ruimer. Voor hun opleiding mogen de kanunniken zelfs meerjarige studies volgen in Rome of Parijs. Met de verworven kennis verbeteren zij opleidingen in Nederland. De eisen aan de functie van kanunnik worden geleidelijk hoger, zo hoog zelfs dat een opleiding in het kerkelijk recht een voorwaarde wordt. Een opleiding die alleen door gefortuneerden gevolgd kan worden, zoals de adellijke bovenlaag.

En zo verandert geleidelijk het kanunnik bestaan van eenvoudig monnik naar gezaghebbend ambtsdrager. Het systeem van prebenden wordt ingevoerd. Het geeft de kanunniken de mogelijkheid zich elders te vestigen. Een prebende gaf een geestelijke van oorsprong recht op een jaarlijks inkomen. De kanunniken noemen zich in dit opzicht uiteraard nog een geestelijke. Dat de verplichting om kloosterling te zijn is afgeschaft, maakt het ambt nog aantrekkelijker. Het systeem van prebenden wordt zelfs erfelijk gemaakt en/of de prebenden kunnen als een verkregen recht worden verhandeld.

Het ambt is profijtelijk, de functies worden meer en meer vervuld door leden van adellijke en patriciërsafkomst. Zij verwerven althans stevige posities in het kapittelwezen. Er ontstaat een situatie waarin de controle op het maatschappelijk leven een onderonsje van de hoge heren wordt. Een wereld waarin iedereen elkaar kent en wat gunt. Dit ontgaat de bevolking niet, en zeker niet de burgerij met de gilden en de handelslieden die in de steden steeds sterker worden. Met de arrogantie van de macht wordt afgerekend in de Beeldenstormen. In heel Europa vinden ze plaats tussen 1520 en 1570.

De vijf kapittelkerken van Utrecht, de Dom, en vervolgens Oudmunster of San Salvatorkerk, Pieterskerk, Janskerk en Mariakerk
Tot 1580 vergaren de kerken een enorme rijkdom aan landerijen, gebouwen, boeken en waardepapieren. De volledige belastingvrijstelling van de kerk stelt ook het privévermogen van de kanunniken veilig. In dat jaar komt een einde aan de katholieke eredienst en volgt een verbod op de openlijk uitoefening van de katholieke godsdienst. De praalzucht van de kerken en de inhaligheid zullen er zeker mee te maken hebben gehad.
De kapittels verdwijnen echter niet, ze komen te vallen onder het gezag van de Provincie en het Provinciaal bestuur. Feitelijk verandert er daardoor niet veel, de bestuurders komen daardoor eerder nog meer uit adellijke en patriciërskringen. Ook het systeem van prebenden blijft in stand.

Onder de kanunniken in het Ridderschapkwartier zijn in de 18e eeuw o.a. Jacob van der Werff, kanunnik van Oudmunster; Benjamin Perne, kanunnik van Sint Pieter; Johannes Cyprianus van Ewijck, kanunnik in het kapittel van St. Marie, en de laatste is Johannes Lambertus Kien bij het kapittel Dom. Deze kanunniken oefenen deze functie in deeltijd uit, de meesten hebben een baan als advocaat of rechter. In officiële akten worden ze echter aangesproken als kanunnik, het is een erebaan die op de eerste plaats staat.

Pas in 1811 verdwijnen de kapittels. De Bataafse republiek heeft ze al uit hun functie gezet, Napoleon onteigent ze. Napoleon sloopt alle oude machtsinstituties van de adel. De kapittels dienen al hun bezittingen over te dragen aan Domeinen. Het wordt het einde van de lucratieve posities van de kanunniken. Dat gaat niet zonder protest. Dat helpt een beetje, want de kanunniken krijgen een schadevergoeding mee voor het verlies van hun prebende.

De bezittingen komen onder beheer van Domeinen. In 1820-1821 vinden grote openbare verkopingen plaats in alle provincies met Stichtse goederen: boerderijen, grondgebied, bosgrond etc.. De voormalige kapittelgoederen gaan de markt op om de staatskas te vullen voor de noodzakelijke werken aan dijken en rivieren. In de stad Utrecht zijn veel kapittelgebouwen gesloopt, maar onder anderen de Pieterskerk, de Domkerk met Domtoren en de Janskerk zijn behouden gebleven.

.