Gezondheidszorg en de rol van apothekers

Veel wetenschap komt er tot de 20e eeuw nog niet kijken bij geneeskunst. De gezondheidszorg vindt later haar grote doorbraak. Voor veel kwalen zijn medicijnen namelijk niet het middel.

Er zijn veel weetjes over geneeskrachtige kruiden en smeerseltjes tegen kwalen, maar dat is geen wetenschap. Ook de wetenschap moet zichzelf nog uitvinden. Opvattingen en meningen overheersen het debat. De doorbraak in wetenschappelijk onderzoek komt door systematisch onderzoek naar de oorzaken van ziekte. Dan blijken soms geheel andere oorzaken de gezondheid te tarten.

Voorbeelden: kindersterfte komt voor door babyvoeding van niet gesteriliseerde en met water aangelengde koemelk van vaak dubieuze kwaliteit. Te jonge kinderen krijgen te vroeg vast voedsel, waar de darmen helemaal niet tegen kunnen en wat de dood tot gevolg kan hebben. Kinderen worden zelden gewassen, komen nauwelijks buiten en zijn te dik ingepakt. Om huilende kinderen in slaap te krijgen, gebruikt men onder meer brandewijn. Kindersterfte komt veel voor en in alle milieus. Dat zijn allemaal gebruikelijke zaken in de 19e eeuw.

Het betekent niet dat er geen aandacht is voor gezondheidszorg. Gezondheidszorg is in handen van artsenijmengers, chirurgijnen, medicine doctors en apothekers. Van 1664 tot 1718 heeft apotheker Cosinius Ketell een diepe tuin achter de Plompetorengracht tot de wal en toren De Wolf. De tuin is mogelijk ingericht voor kruiden en geneeskrachtige planten. Zijn apotheek is gevestigd op de hoek Plompetorengracht-Voorstraat.

In 1820 is de tuin in bezit van een andere apotheker: namelijk G.J. Klinkenberg aan de Wittevrouwenstraat 12-14. Er staat volgens de eigendomsakten een oranjerie voor het overwinteren van de plantjes en de snelle groei in het vroege voorjaar. Het terrein is groot, ongeveer het oppervlak van Wolvenstraat 7-25 tot en met de helft van De Wolvenhof. Tot 1842 blijft het in eigendom van de familie Klinkenberg, daarna wordt de tuin verkocht. Dat heeft misschien te maken met het overlijden van tuinman Hendrik Klarenbeek een aantal jaren daarvoor, hij woonde tegen de Wal ter hoogte van de Molenstraat.


De wetenschap in de gezondheidszorg baseert zich tot in de 19e eeuw op de Griekse wijsheden die overgedragen worden vanuit het oosten. Symbool daarvoor is de bij apothekers te vinden gaper. Een gaper is meestal van oostelijke afkomst, een moor die zijn mond open doet om het medicijn te ontvangen. Apothekers gebruikten het symbool om hun zaak herkenbaar te maken. Op de vlucht voor de Romeinen zijn de Grieken met hun wijsheden de grondleggers van de wetenschap voor medicine doctors en apothekers. Veel Grieken vluchtten naar het oosten, het is in de moslimlanden waar deze wetenschap overleefde.

De eerste 'wetenschappelijk' opgeleide apotheker in het kwartier is Willem van Schalkwijk à Velden. Hij heeft een opleiding gevolgd aan de Hoogeschool van Utrecht en begint in 1766 een apotheek op Wittevrouwenstraat 12-14 voorzijde. Zijn opvolger in 1804 is de eerder genoemde tuinhouder Gijsbert Johannes Klinkenberg. Hij is als buurjongen van de apotheker opgegroeid en is mogelijk door hem aangezet om de Hoogschool opleiding ook te gaan volgen. De ongehuwde Schalkwijk å Velden heeft daarmee in zijn opvolging voorzien.
Op het adres zijn tot 1919 apothekers gevestigd, de laatste vernieuwt de gevel van Wittevrouwenstraat 12 tot de huidige gevel van Elles mode: apotheker C.N. Fehrman. Het pand heeft een voorhuis en een achterhuis en is bij de verbouwing gesplitst van Wittevrouwenstraat 14, al gold dat niet voor de blijkbaar onmisbare berging. De indeling van de apotheek op straatniveau in 1903:

Het is niet het enige adres voor geneeskunst, medicijnen en andere "medicine" middelen. De familie J. van Ingen, van beroep artsenijmenger, zit sinds 1835 op Wittevrouwenstraat 34. In 1852 volgt I.J. de Graaf hem op tot 1886.

Verbetering in de gezondheidszorg komt via een heel andere weg. Bij raadsbesluit van 8 februari 1855 wordt de ‘Gezondheidscommissie der stad Utrecht’ ingesteld. De leden houden zich bezig met problemen als vuilophoping, gebrekkige riolering, slecht drinkwater, de slechte woningen van de armen en besmettelijke ziekten. De uitvoering van voorstellen van de Gezondheidscommissie gaat met zeer grote traagheid gepaard (tientallen jaren).
De goede richting is ingeslagen: naar meer hygiëne, het onderkennen dat onderwijs en instructie nodig zijn en de aanleg van riolering. Die weg, en de traagheid ervan, lijkt overigens veel op de wijze waarop we ruim een eeuw later “het CO2 probleem” ontdekken en de uitstoot daarvan terug willen dringen.

.