Openbare weg en particuliere kelder: Plompetorengracht Utrecht

Langs de Plompetorengracht zijn veel huizen voorzien van een kelder. De kelder loopt tot onder de straat naar de gracht: van schepen konden de waren rechtstreeks naar de kelder. Rijke bewoners verscheepten het huisraad naar het zomerverblijf.
Plompetorengracht medio 18e eeuw HUA35966

De Plompetorengracht is het noordelijk deel van de Nieuwegracht. Zij is veel smaller aangelegd. Er is geen ruimte gemaakt voor een werf. Een openbare weg ligt wel op de particuliere kluis, een Utrechtse juridische noviteit, maar daarover straks meer. De Oudegracht is de markt van Utrecht, de kramen op de bruggen en de handelsactiviteiten op de werf en in de kelders. Van meet af aan is deze Nieuwegracht voor het wonen geweest, zonder bedrijfsactiviteiten. Er is wel behoefte aan kelders zoals bovenstaande tekening uit 1750-1770 van P.J.van Liender laat zien. Ook zichtbaar is de Plompetoren waaraan dit deel van de gracht haar naam dankt.

De eerste eeuwen na de stadsuitbreiding van 1100 is er nog geen gracht. Pas omtrent 1390 is de gracht gegraven voor de ontwatering van het gebied. Waarschijnlijk is het omliggende gebied opgehoogd om geschikt te worden voor bebouwing. Tot die tijd is het terrein ter weerszijden van de Plompetorengracht in gebruik bij kloosters. Het Wittevrouwenklooster aan de oostzijde en het St. Marie klooster aan de westzijde. De gracht ligt op voormalig terrein van de kloosters. Tot ruim in de 18e eeuw betalen de eigenaren aan de Plompetorengracht oud eigen (soort erfpacht) aan de kloosters. Ze zijn in die eeuw afgekocht.

De restauratie van de kluismuur circa 1980 laat de tongewelven van de kluis (de kelder onder de straat) bij Plompetorengracht 1-3 goed zien en de aanvulling van de grond daar omheen.

De huizen worden bewoond door rijke mensen, vaak van adellijke afkomst. Het huis is er voor de veiligheid binnen de ommuurde stad en geschikt voor de opslag van de vele kostbaarheden, handelsgoed en voorraad aan levensmiddelen. En niet te vergeten, zonder koelkasten is het een goed klimaat voor de opslag van waren. De waterzijde is handig, veel transport vindt plaats per boot door de slechte wegen in een groot deel van het jaar. De jaarlijkse verhuizingen van en naar de buitenverblijven kan via water plaatsvinden.

De eerste bebouwingen zijn huizen met hofstede, een naam zoals aan elk aanzienlijk erf met een ommuring werd gegeven. In 1518 wordt een huis met kelder en hofstede verkocht op de plek waar nu Plompetorengracht 3 staat. De hofstede loopt door achter de bebouwing aan de Wittevrouwenstraat tot aan de muur met het Wittevrouwenklooster en heeft zelfs een klein huisje erbij tegen het kerkhof van dit Vrouwenklooster. Met een gang en poort wordt het erf naar de Wittevrouwenstraat ontsloten. Zowel de Wittevrouwenstraat als de Plompetorengracht is niet aaneengesloten bebouwd. De huizen hebben ruime tuinen en links of rechts is er toegang naar het erf.

Plompetorengracht 3 wordt in 1667 helemaal herbouwd. Het gebruik van de zijmuur van het huis ernaast is na toestemming voor gezamenlijk gebruik van het opleggen van de balken. In een akte is dit recht op balksteking en het aanbrengen van ankers e.d. vastgelegd. Van de kelders en kluizen is een gedetailleerde tekening beschikbaar, het bovenaanzicht en een doorsnede over de straatkelder ofwel de kluis hieronder:

Het dak van de straatkluizen is al direct na de bouw de openbare weg voor iedere passant. De kluizen zijn door uitbreidingen van de huizen gerealiseerd. De kluizen Plompetorengracht 1-3 zijn er in 1667 gekomen. De kelders onder het huis gaan door tot de achtergevel. Ook het pand is toen herbouwd. De zijmuur met Plompetorengracht 5 is toen gezamenlijk geworden. De muur staat op de tekening aan de linkerzijde. De situatie van een openbare weg op een privé eigendom komt alleen in Utrecht voor.

De bereikbaarheid van de kluizen is goed, tot de 20e eeuw is het voornaamste vervoer het schip. Toen Jonkvrouw Van Reede in 1672 met al haar spullen uit Amerongen vluchtte deed ze dit met volgeladen pramen naar Utrecht en later nog verder naar Amsterdam.

Nu naar het juridische: pas bij de aanleg van de Willemsspoortunnel in Rotterdam in 1990 wordt de situatie van verschillende eigenaren in openbaar gebied juridisch wat meer gewoon. De overkluizing van de Utrechtse baan in Den Haag met kantoren is een volgende stap. Bij de aanleg van de verkeerstunnel door Leidsche Rijn is het nog een heel probleem welke activiteiten onder welke verantwoordelijkheden op het tunneldak gerealiseerd kunnen worden. Juridisch brandt de verantwoordelijkheid- en aansprakelijkheidsvraag, namelijk wie dat is voor welk risico in deze eigendom situaties.

Waarom is dit zo moeilijk? Wat meer vertrouwen is op zijn plaats want Utrecht heeft al eeuwen ervaring met deze situatie. Het is zelfs geen probleem als de weg over de kluizen van een bank gaat.

.