Wittevrouwenstraat 10: een aanzienlijk huis voor adellijke bewoners


De stad staat in de Middeleeuwen vol met houten huizen. De bouw van stenen huizen begint in de twaalfde eeuw, het reële brandgevaar is er alle aanleiding voor. Als de eerste huizen in het Ridderschapkwartier worden gebouwd is het al bijna de 14e eeuw geweest. Het Wittevrouwenklooster staat grond af en houdt er een jaarlijkse vergoeding aan over.


In de 16e eeuw is de stad op bescherming ingesteld: niet alleen haar poorten, stadsbuitengracht en muren hebben een veiligheidsfunctie. In de stad zijn huizen en hofsteden ommuurd en zien er gesloten uit. De Wittevrouwenstraat bestaat uit een lange muur, de grens van het klooster en bij de hofsteden verderop is het weinig anders.

De Wittevrouwenstraat (1830-1858) met het zicht naar de
 Wittevrouwenpoort, direct links nummer 10 (HUA 30611)
In het Ridderschapkwartier zijn de oudste gebouwen het Wittevrouwenklooster en de verdedigingswerken langs de rand, waaronder de Wittevrouwenpoort en de Plompetoren. Van het Wittevrouwenklooster is nog slechts een klein stuk van de tuinmuur overgebleven, niet zichtbaar in de achtertuin van Ridderschapstraat 18. Fundamenten van een kloosterwoning zijn onlangs in september 2015 bloot gegraven in de Molenstraat. Van de Wittevrouwenpoort, de stadsmuren en de torens staat niets meer en zijn pas bij opgravingen sporen te vinden.

De Wittevrouwenpoort is één van de vier invalswegen van de Stad. Al sinds de Romeinen is de Biltse straatweg een belangrijke ontsluitingsweg voor de provincie. De invalsweg achter de Wittevrouwenpoort heeft dezelfde aantrekkingskracht als de huidige invalswegen in de stad: het zijn zichtbare locaties voor als je gezien wilt worden. Dat zijn natuurlijk de tapperijen in die tijd, zoals velen aan de Wittevrouwenstraat. Er staan ook de villa’s op stand. Het is vergelijkbaar met de huidige kantoren die als reclamebord moeten werken, zoals bijvoorbeeld in Rijnsweerd en Papendorp.

Wittevrouwenstraat 10 in 2010
Huizen zijn voor de gegoede burgerij, personeel kan op kleine kamers of het souterrain in bedsteden slapen of in de stal of hutjes wonen. Een opmerkelijk pand is het grootste pand in de Wittevrouwenstraat. Nummer 10 werd in de 17e eeuw bewoond door de familie Borre van Amerongen. Floris Borre van Amerongen kocht het in 1659 en kon enkele jaren later al een grote aanpassing realiseren. Bij de aanleg van de Ridderschapstraat in 1663 verwierf hij een stuk grond waarop een nieuw koetshuis met stallen werd gerealiseerd. De plek van het koetshuis in de Ridderschapstraat was nummer 8, nu de locatie van garage U.T.A.M. De ruimte voor paarden en koetsen aan de Wittevrouwenstraat kon verdwijnen. Dat is te zien aan de plattegrond, het laat twee huisgedeelten zien met een ruime binnentuin. De oude voorgevel (links) was gericht naar de Plompetorengracht. De nieuwe en veel bredere voorgevel (onderzijde) kwam aan de Wittevrouwenstraat:

Plattegrond van het pand voor de verbouwingen ca. 1900
Die heroriëntatie kreeg vorm in een nieuwe gevel aan de Wittevrouwenstraat van zandsteen met pilasters. Op de ansichtkaart uit 1890-1905 staat het afgebeeld met een uitgebouwde entreepartij met kolommen en een balkon erboven:
Het pand staat aan de linkerzijde met kolommen bij de entree, foto uit circa 1900
De bewoners van het pand zijn tot in de 19e eeuw van aanzienlijke afkomst. De laatste nazaat van de familie Borre van Amerongen overleed in 1766. Het pand kende vervolgens verschillende eigenaren die het ook bewoonden. In 1766 werd dat bijvoorbeeld de predikant van de Engelsche gemeente in Utrecht en agent van zijne majesteit van Groot Brittannië dr. Robert Brown. Bijverdiensten hadhij ook als taalleraar Engels en Nederlands. Hij heeft bijvoorbeeld de Engelsman James Boswell Nederlands geleerd. De patriot Joan Derk van de Capellen tot den Pol (1741-1784) heeft van Brown de taal Engels geleerd en de beroemde Belle van Zuijlen kwam hier aan huis. Meer patriotten hebben dit huis als ontmoetingsplaats gebruikt. In 1777 overleed Robert.

Het pand aan de Wittevrouwenstraat werd circa 1815 eigendom van douairière J.H.A Martens - Strik van Linschoten, zij woonde er met haar zoon en 3 dienstmaagden. In 1840 is het verhuurd en het kende tot 1894 diverse bewoners. Over het gebruik van Wittevrouwenstraat 10 na 1894 later meer. Het is dit pand waar op 3 januari 1999 alleen nog smeulende resten over waren, ooit een pand voor adellijke bewoners.

.