Een klooster voor witte vrouwen in Utrecht: een beknopte geschiedenis


Utrecht krijgt stadsrechten in het jaar 1122 en breidt uit met grond van het kapittel van Sint Jan. Op die grond verrijst een vrouwenklooster na 1227.
Het kloosterterrein is op een gravure uit de 16e eeuw



De stad wordt vergroot en vanaf het Neude komt er een nieuwe straat, de Voorstraat, als verbinding met de stadspoort en de uitvalsweg richting De Bilt en Zeist. In het nieuwe stadsdeel is ruimte voor twee kloosters: een vrouwenklooster en een begijnenconvent. Het vrouwenklooster wordt gesticht met nobele doelen. De kerk als instituut voor mededogen en sociale zekerheid helpt de gevallen vrouwen (boetvaardige ex-prostituees) als Magdalenazusters. De orde bestaat geheel uit vrouwen. Voor haar goede daden ontvangt het klooster de nodige giften en legaten. Het Wittevrouwenklooster moet gesticht zijn na 1227, het oprichtingsjaar van de St. Maria Magdalena-orde en vóór 1248, als de Magdalenazusters blijkens een bewaard gebleven akte een schenking ontvingen. In de loop van de eeuwen wordt ze relatief rijk van de schenkingen: landerijen en hofsteden behoren tot haar eigendom. Aan het hoofd van het klooster staat een priorin, ook wel vrouwe genaamd.

Geleidelijk aan krijgt de adel meer invloed op het klooster. Het klooster gaat eisen stellen, nieuwe nonnen kunnen zich o.a. met financiële middelen inkopen. Tegenover de inkoop staat een levenslang verblijf, kost en inwoning met zakgeld. Het inkoopbedrag is alleen door welgestelde dames op te brengen: vooral vrijgezelle edele dames, de jonkvrouwen. Het klooster gaat steeds meer bestaan uit deze Juffers. Geleidelijk met deze verandering van bewoning verschuift ook de aandacht van het klooster van opvang en verpleging naar prediking en zielzorg. De vrouwen gaan zich er naar kleden: in het wit van de Norbertijnenorde. Tussen 1326 en 1365 vindt deze verandering plaats, de Juffers worden Norbertinessen en naar hun kleding de witte vrouwen genoemd. In deze periode verwerft het klooster de naam van Wittevrouwenklooster.

Op deze ets van A. Rademaker uit 1661 staat het Wittevrouwenklooster al enigszins in vervallen staat:

Voormalige Wittevrouwenklooster Utrecht, ets van A. Rademaker
kapel (links) met kerk en voormalig abdijhuis in 1661 (HUA37758)
Tijdens de reformatie, de periode van 1517 tot circa 1581, treedt een verandering op in de verhoudingen tussen kerk en gegoede burgerij. De bevolking wordt door nieuwe leiders, de kooplieden en ambachtslieden, tot protest tegen de kerk geleid. Het protest wordt met name gevoed door de inhaligheid van de kerk en kloosters. De alleenheerschappij van de katholieke kerk over het zielenheil en de 'liefdadigheid' heeft afgedaan. De bevolking is te bereiken met het idee dat in de kerk een te grote mate van zelfverrijking is opgetreden. De Beeldenstorm op de pracht en praal van de kerk begint. In de loop van de jaren is ook het vrouwenklooster aan de beurt. Ondanks dat het klooster al in 1581 onder beheer van het Ridderschap valt, dringen op 27 februari 1586 de hellebaardiers van stadhouder Adolf van Nieuwenhuizen het klooster binnen “en hebben daer alle kasten en kisten opengeslagen en alle Misgewaet uytgenomen”.

Om juist deze plunderingen een halt toe te roepen, waren de katholieke eigendommen in de stad Utrecht al in 1581 onder een ander bestuur gebracht. Het bestuur van de regio bestaat na de reformatie uit gekozenen uit de gegoede burgers, de nieuwe kerkelijk leiders (kanunniken) en het Ridderschap. Het Ridderschap verwerft de vijf Jonkvrouwenkloosters in Utrecht waaronder het Wittevrouwen, om 'voor hunne Freules' de vruchten daarvan te plukken. Alle mannenkloosters in de stad Utrecht komen onder beheer van het stadsbestuur.
Het sprookje voor de Juffers leek voorbij te zijn, echter het klooster gaat als klooster gewoon door. De situatie bevalt waarin Jonkvrouwen een kloosterlijk leven leiden en de Stichtsche Ridderschap 'in het bezit treedt van de eigendommen der Witte Vrouwen'. De vrouwen leggen wel hun gewaad af en bekeren zich tot het nieuwe geloof. De priori noemt zich voortaan vrouwe en de zaken worden gedaan door een rentmeester uit het Ridderschap.

Geleidelijk aan ontvolkt het klooster. De jaarlijkse vergoeding aan de Juffers kan ook in geldelijke middelen, een prebende, uitgekeerd worden in plaats van kost en inwoning met zakgeld. Na 1600 zijn kloosterwoningen, getimmerte, aan de Molenstraat verkocht. Ook grond achter de huizen Plompetorengracht 1 tot en met 7 wordt inclusief een kleine kapel verkocht. De kloostergebouwen raken in verval.

In 1663, op Goede Vrijdag 17 April ontstaat (volgens een schrijven van Wed. K. van Rossum in 1807) bij het bakken van oliekoeken, brand in de oude gebouwen des kloosters, die daardoor voor een deel tot asch verteren. Is dat het einde? Ja en nee, maar lees daarvoor: de aanleg van de Ridderschapstraat, de laatste delen van het Wittevrouwenklooster verdwijnen en het Wittevrouwenklooster, het einde.

.